ECLI:NL:RVS:2023:2366
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.M. Willems
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens terroristische misdrijven ondanks beroep op discriminatie- en evenredigheidsbeginsel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 7 mei 2021 het Nederlanderschap van appellant in op grond van artikel 14, tweede lid, onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, vanwege onherroepelijke veroordelingen voor terroristische misdrijven. Appellant, die naast het Nederlandse ook de Marokkaanse nationaliteit bezit, betwistte dit besluit en voerde onder meer aan dat het ne-bis-in-idem-beginsel werd geschonden, de evenredigheidstoets marginaal was en dat sprake was van discriminatie.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde deze uitspraak. De Afdeling oordeelde dat de intrekking geen bestraffende sanctie is en dat een evenredigheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden. Het discriminatieverbod werd niet geschonden omdat het onderscheid tussen monopatriden en bipatriden gerechtvaardigd is door de verdragsrechtelijke plicht tot voorkoming van staatloosheid.
Verder werd het beroep op het evenredigheidsbeginsel afgewezen. De Afdeling stelde vast dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij afstand heeft gedaan van het jihadistische gedachtegoed en dat de staatssecretaris terecht heeft meegewogen dat appellant veroordeeld is voor ernstige terroristische misdrijven. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde, omdat de inmenging in het privéleven gerechtvaardigd was en de staatssecretaris zorgvuldig heeft gehandeld. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van het Nederlanderschap wordt bevestigd.