ECLI:NL:RVS:2023:1991
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling hoger beroep tegen inreisverbod en vertrekopdracht EU
De vreemdeling was bij besluit van 29 juli 2021 opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en werd een inreisverbod opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de opdracht tot vertrek uit de EU geen rechtsgevolg heeft omdat reeds een terugkeerbesluit van 9 december 2016 van kracht was. Hierdoor was de rechtbank onbevoegd om van het beroep tegen deze opdracht kennis te nemen. De uitspraak van de rechtbank wordt daarom vernietigd en de Afdeling verklaart zich onbevoegd ten aanzien van dit beroep.
Ten aanzien van het inreisverbod oordeelt de Afdeling dat dit een zelfstandige, deugdelijke wettelijke grondslag heeft, namelijk artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000, en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De overige grieven van de vreemdeling worden niet ontvankelijk verklaard omdat zij geen belang hebben voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 837,00 die verband houden met de behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond voor vertrekopdracht, onbevoegdheid vastgesteld, inreisverbod bevestigd, proceskosten toegekend.