ECLI:NL:RVS:2023:1847
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking vergoeding advocaat voor bezwaarprocedure UWV wegens ontbreken noodzaak rechtsbijstand
Een advocaat, deelnemer aan het High Trust-programma van de Raad voor Rechtsbijstand, kreeg een vergoeding van €924,45 toegekend voor het voeren van een bezwaarprocedure bij het UWV namens een cliënt. Na een steekproefcontrole trok de raad deze vergoeding in, omdat volgens hen rechtsbijstand niet noodzakelijk was voor deze laagdrempelige bezwaarprocedure.
De advocaat stelde dat de bezwaarprocedure juridisch complex was, onder meer vanwege bewijsrechtelijke geschillen over het tijdig indienen van documenten en de bewijslastverdeling. Hij verwees naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ter onderbouwing van die complexiteit.
De rechtbank oordeelde echter dat de bezwaarprocedure eenvoudig was en dat de cliënt zelf het bezwaar kon voeren. De Raad van State bevestigde dit oordeel, verwijzend naar het beleidskader van de Wet op de rechtsbijstand en eerdere jurisprudentie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de advocaat kreeg geen vergoeding toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de advocaat wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de vergoeding blijft gehandhaafd.