ECLI:NL:RVS:2023:1748
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank in vreemdelingenzaak
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 9 maart 2020 een aanvraag van een vreemdeling voor een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na een bezwaarprocedure handhaafde de staatssecretaris dit besluit op 1 juli 2022. De rechtbank Den Haag verklaarde bij uitspraak van 6 april 2023 het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en besloot daarom dat de staatssecretaris de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om proceskosten toe te kennen af. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.C.A. de Poorter in aanwezigheid van griffier E. de Groot op 4 mei 2023.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.