ECLI:NL:RVS:2023:1736
Raad van State
- Hoger beroep
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing besluit handhaving veehouderij Overijssel wegens onduidelijkheid bemesting
Het college van gedeputeerde staten van Overijssel wees op 5 november 2018 het verzoek van MOB en Leefmilieu af om handhavend op te treden tegen een veehouderij vanwege het beweiden en bemesten zonder natuurvergunning. Na diverse bezwaar- en beroepsprocedures vernietigde de rechtbank het besluit van 13 juli 2021 wegens onvoldoende onderzoek naar het feitelijke bemesten sinds de referentiedatum 10 juni 1994 en het ontbreken van een gedegen motivering.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze vernietiging, stellende dat de termijn van 16 weken voor het nemen van een nieuw besluit te kort was en dat de referentiesituatie voor bemesting ontleend moet worden aan het planologisch regime en niet aan feitelijk gebruik. MOB en Leefmilieu stelden incidenteel hoger beroep in en betwistten onder meer de mogelijkheid tot intern salderen en het gebruik van het bestemmingsplan als referentie.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college ten onrechte niet had onderzocht of de gronden voor de referentiedatum als landbouwgrond in gebruik waren, waardoor het besluit onvoldoende was gemotiveerd. Tegelijkertijd bevestigde de Afdeling dat de referentiesituatie kan worden ontleend aan het planologisch regime indien de gronden als landbouwgrond werden gebruikt. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van het college gegrond en het incidenteel hoger beroep van MOB en Leefmilieu ongegrond, vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het college verplichtte binnen 16 weken een nieuw besluit te nemen, en liet de rechtsgevolgen van het besluit van 13 juli 2021 in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, het besluit van 13 juli 2021 blijft in stand en de rechtbank wordt niet opgedragen binnen 16 weken een nieuw besluit te nemen.