ECLI:NL:RVS:2023:1690
Raad van State
- Hoger beroep
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing handhaving melkveehouderij natuurvergunning en referentiesituatie bemesting en beweiding
De zaak betreft een hoger beroep tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel om het verzoek van MOB en Leefmilieu om handhavend op te treden tegen een melkveehouderij te weigeren. De veehouderij exploiteert een melkveebedrijf met een natuurvergunning verleend in 2017, maar MOB en Leefmilieu stelden dat er zonder vergunning werd geweid en bemest, wat in strijd zou zijn met de Wet natuurbescherming.
De rechtbank had het besluit van 13 juli 2021 vernietigd omdat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar het feitelijke gebruik van de percelen sinds de referentiedatum 10 juni 1994 en de mate van bemesting en beweiding. De rechtbank vond dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat er geen toename van stikstofdepositie was en dat een vergunning vereist was.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op bedrijfsniveau moest onderzoeken of er sprake was van omzetting van akkerland naar grasland en of de aanwendingsnorm steeds maximaal was benut. De referentiesituatie wordt ontleend aan het planologisch regime en het feit dat de gronden op de referentiedatum als landbouwgrond in gebruik waren. De Afdeling volgt het college in het standpunt dat het bemesten en beweiden één referentiesituatie kent en dat het weiden van vee en het houden van vee in stallen één project vormen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep van het college gegrond en dat van de veehouderij en MOB en Leefmilieu ongegrond. De rechtsgevolgen van het besluit van 13 juli 2021 blijven in stand, waarmee de handhavingsprocedure is beëindigd. De rechtbank wordt vernietigd voor zover zij het college opdroeg binnen 16 weken een nieuw besluit te nemen, maar de rest van de uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, het besluit van 13 juli 2021 blijft in stand en de rechtbank wordt vernietigd voor zover zij het college opdroeg binnen 16 weken een nieuw besluit te nemen.