ECLI:NL:RVS:2023:148
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens schending hoorplicht
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 1 oktober 2018 werd afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd op 24 april 2019 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 10 juni 2021 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het hoger beroep klaagde hij terecht dat de rechtbank niet had beoordeeld of hij in bezwaar was gehoord, terwijl de staatssecretaris hem niet had gehoord. De Raad van State oordeelde dat de hoorplicht van de staatssecretaris in bezwaar terughoudend mag worden beperkt en dat in dit geval de vreemdeling had moeten worden gehoord.
De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en het besluit van 24 april 2019, verklaarde het hoger beroep gegrond en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing waarbij de vreemdeling in bezwaar wordt gehoord.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris worden vernietigd wegens schending van de hoorplicht.