ECLI:NL:RVS:2022:798

Raad van State

Datum uitspraak
18 maart 2022
Publicatiedatum
18 maart 2022
Zaaknummer
202106323/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:115 AwbArt. 66a Vw 2000paragraaf A4/2.1 Vc 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over inreisverbod vreemdeling wegens wettelijke grondslag

Bij besluit van 14 maart 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een vreemdeling opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. De vreemdeling stelde beroep in tegen het inreisverbod. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het inreisverbod omdat zij oordeelde dat geen wettelijke grondslag bestond onder artikel 66a, eerste lid, onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat het inreisverbod was gebaseerd op artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikel biedt een wettelijke grondslag voor het inreisverbod indien de vrije vertrektermijn met meer dan drie dagen is overschreden en de vreemdeling Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten.

De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank voor zover het het inreisverbod betrof, verklaarde het hoger beroep gegrond en wees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling, waarbij het oordeel van de Afdeling in acht moet worden genomen. Tevens werd een proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen.

Uitspraak

202106323/1/V3.
Datum uitspraak: 18 maart 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 1 september 2021 in zaak nr. 21/2132 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 1 september 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod, gegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De rechtbank heeft overwogen dat er geen wettelijke grondslag was voor het inreisverbod omdat geen sprake was van een situatie die viel onder artikel 66a, eerste lid, onder a of b, van de Vw 2000. Daarom is het inreisverbod naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte uitgevaardigd.
2.       De staatssecretaris voert in zijn enige grief aan dat de rechtbank heeft miskend dat het inreisverbod niet is gebaseerd op artikel 66a, eerste lid, onder a of b, maar op artikel 66a, tweede lid, van de Vw 2000. Uit de uitspraken van de Afdeling van 27 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2459, en 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1154, volgt dat in dit geval van die bevoegdheid gebruik kon worden gemaakt.
3.       De grief slaagt. De Afdeling heeft in de uitspraak van 10 april 2019 overwogen dat de staatssecretaris alleen mag afwijken van de hoofdregel, dat geen inreisverbod wordt uitgevaardigd als hij de vreemdeling een vertrektermijn geeft, in gevallen die vallen onder de uitzonderingen die zijn vermeld in paragraaf A4/2.1 van de Vc 2000. De eerste uitzondering die daarin is vermeld betreft de situatie dat de vreemdeling de vrije termijn met meer dan drie dagen heeft overschreden en Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten. In het besluit van 14 maart 2021 is vermeld dat het inreisverbod is gebaseerd op artikel 66a, tweede lid, van de Vw 2000, dat de vrije termijn met meer dan drie dagen is overschreden en dat de vreemdeling Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten. De rechtbank heeft niet onderkend dat in deze situatie een wettelijke grondslag voor het inreisverbod bestond.
4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd en een proceskostenveroordeling is uitgesproken.
5.       De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 1 september 2021 in zaak nr. 21/2132, voor zover daarbij het beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd en een proceskostenveroordeling is uitgesproken;
III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. M Soffers, leden, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Kuggeleijn-Jansen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2022
545