ECLI:NL:RVS:2022:798
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.W.M. Bijloos
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over inreisverbod vreemdeling wegens wettelijke grondslag
Bij besluit van 14 maart 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een vreemdeling opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. De vreemdeling stelde beroep in tegen het inreisverbod. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het inreisverbod omdat zij oordeelde dat geen wettelijke grondslag bestond onder artikel 66a, eerste lid, onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat het inreisverbod was gebaseerd op artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikel biedt een wettelijke grondslag voor het inreisverbod indien de vrije vertrektermijn met meer dan drie dagen is overschreden en de vreemdeling Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten.
De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank voor zover het het inreisverbod betrof, verklaarde het hoger beroep gegrond en wees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling, waarbij het oordeel van de Afdeling in acht moet worden genomen. Tevens werd een proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen.