ECLI:NL:RVS:2022:681
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet-beoordeling belangen minderjarige kinderen in asielprocedure
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 8 december 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling ging hiertegen in beroep bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 27 januari 2021 ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep klaagde de vreemdeling dat de rechtbank niet was ingegaan op haar aanvullende beroepsgrond dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met de belangen van haar minderjarige kinderen, met name hun religieuze overtuigingen en de gevolgen van terugkeer naar Iran. De Afdeling constateerde dat deze beroepsgrond wel ter zitting was besproken, maar niet in de uitspraak was beoordeeld, wat in strijd is met artikel 8:69, eerste lid, Awb.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug om alsnog inhoudelijk te worden beoordeeld met inachtneming van de belangen van de minderjarige kinderen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbeoordeling met inachtneming van de belangen van de minderjarige kinderen.