ECLI:NL:RVS:2022:637
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitschrijving uit basisregistratie personen wegens onbekende verblijfplaats
Het college van burgemeester en wethouders van Almere schreef appellant uit de basisregistratie personen (brp) omdat hij niet meer op het geregistreerde adres verbleef en zijn nieuwe verblijfplaats niet bekendmaakte. Ondanks meerdere pogingen tot contact, waaronder brieven, e-mails en telefoongesprekken, gaf appellant geen concreet adres door. Hij had een locatieverbod en verbleef tijdelijk elders zonder vast adres.
Appellant voerde aan dat hij bereikbaar was via diverse kanalen en dat het college geen degelijk onderzoek had gedaan. Ook stelde hij dat het locatieverbod tijdelijk was en hij nog steeds huur betaalde en zijn spullen op het adres had. De rechtbank oordeelde echter dat het college terecht had gehandeld op grond van artikel 2.22 van de Wet brp, omdat appellant niet had voldaan aan de verplichtingen tot adreswijziging.
De Raad van State bevestigde dit oordeel. De drie voorwaarden van artikel 2.22 waren vervuld: appellant was niet bereikbaar in de zin van het doorgeven van een verblijfplaats, er was geen aangifte van adreswijziging ontvangen en het college had na gedegen onderzoek geen verblijfplaats kunnen achterhalen. Het college kon daarom terecht overgaan tot uitschrijving. Het verzoek van appellant om ambtshalve opname van een briefadres werd afgewezen omdat het college geen duidelijkheid had over het ontbreken van een woonadres.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitschrijving uit de basisregistratie personen bevestigd.