ECLI:NL:RVS:2022:389
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- J. Gundelach
- Rechtspraak.nl
Vaststelling proceskostenvergoeding na onrechtmatige vergunningverlening betonverharding
Het college van burgemeester en wethouders van Borne verleende op 16 mei 2018 een omgevingsvergunning voor het aanbrengen van betonpuin en betonverharding op een perceel te Zenderen. Appellant, wonend naast het perceel, maakte bezwaar tegen de vergunningverlening, met name tegen de betonverharding. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond en beperkte de vergunning tot het aanbrengen van betonpuin. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees proceskostenvergoedingen af.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding toekende, omdat het college onrechtmatig had gehandeld door vergunning te verlenen voor betonverharding die niet was aangevraagd. De Afdeling oordeelde dat het besluit van 16 mei 2018 herroepen moest worden wegens onrechtmatigheid en dat appellant recht heeft op vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep.
Daarnaast behandelde de Afdeling het incidenteel hoger beroep van het college over de kwalificatie van betonverharding als bouwwerk. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank buiten de omvang van het geding was getreden door dit oordeel te geven en verklaarde het incidenteel hoger beroep gegrond. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en stelde het beroep van appellant alsnog gegrond, waarbij het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Borne is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant wegens onrechtmatige vergunningverlening.