ECLI:NL:RVS:2022:381
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na hoger beroep en voorlopige voorziening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 19 april 2021 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 3 december 2021 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep geen aanleiding gaf tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank. Het hogerberoepschrift bevatte geen nieuwe rechtsvragen die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moesten worden. Bovendien was de rechtsvraag omtrent de juistheid van informatie uit het EU-visum reeds eerder door de Afdeling beantwoord.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de staatssecretaris werd niet veroordeeld tot het betalen van proceskosten. De uitspraak werd op 9 februari 2022 in het openbaar gedaan door voorzieningenrechter J.H. van Breda.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen, waarmee de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel is bevestigd.