ECLI:NL:RVS:2022:3777
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- C.J. Borman
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opheffing bewaring vreemdeling wegens verkeerde grondslag
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 14 september 2022 in bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling had een asielaanvraag in Nederland ingediend die was afgewezen en vervolgens in Duitsland internationale bescherming gevraagd. Op basis van de Dublinverordening werd hij aan Nederland overgedragen.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, oordeelde dat de staatssecretaris de verkeerde grondslag had gebruikt voor de bewaring en beval de opheffing van de maatregel. Tevens werd een schadevergoeding toegekend. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in.
De Raad van State overwoog dat de vreemdeling als asielzoeker in de zin van de Procedurerichtlijn valt, omdat hij tijdens het gehoor een nieuwe asielwens uitte met verwijzing naar gevaar in Turkije. Hierdoor kon de bewaring niet worden gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep van de staatssecretaris af. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €759,00.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was onrechtmatig vanwege een verkeerde grondslag en het hoger beroep van de staatssecretaris wordt afgewezen.