ECLI:NL:RVS:2022:3731
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging last onder dwangsom wegens ontbreken overtreding openbare plaats inbrekerswerktuigen
Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven legde aan [wederpartij] een last onder dwangsom op wegens het vervoeren of bij zich hebben van inbrekerswerktuigen op een openbare plaats. Deze last was gebaseerd op een bestuurlijke rapportage van de politie waarin werd vastgesteld dat [wederpartij] met dergelijke werktuigen was aangetroffen.
De rechtbank oordeelde echter dat [wederpartij] niet op een openbare plaats maar op een afgesloten terrein was aangetroffen en dat er onvoldoende feitelijke grondslag was om aan te nemen dat hij zich eerder met de werktuigen op een openbare plaats had begeven. Het college stelde in hoger beroep dat de werktuigen waren gebruikt om het afgesloten terrein te betreden en dat antecedenten van [wederpartij] dit aannemelijk maakten.
De Raad van State overwoog dat de bestuurlijke rapportage bevestigt dat [wederpartij] op het afgesloten terrein werd aangetroffen en dat de rol van een tweede verdachte onduidelijk is. Ook is niet uitgesloten dat de werktuigen afkomstig waren van het terrein zelf. De antecedenten van [wederpartij] en het gebruik van een scootmobiel bieden geen voldoende grondslag voor het college om het verbod op het vervoeren van inbrekerswerktuigen op een openbare plaats te handhaven.
Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De zaak benadrukt het belang van een voldoende feitelijke grondslag voor bestuursrechtelijke handhaving op basis van de Algemene plaatselijke verordening.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag voor overtreding openbare plaats.