ECLI:NL:RVS:2022:371
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing opheffing inreisverbod en proceskostenvergoeding
De vreemdeling heeft bij besluit van 23 december 2019 een aanvraag tot opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond op 17 februari 2021. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat de eerste en tweede grief van de vreemdeling geen aanleiding geven tot vernietiging van het vonnis, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming relevant zijn. Wel oordeelt de Raad dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te bepalen dat de staatssecretaris het betaalde griffierecht en de proceskosten moet vergoeden, nu de staatssecretaris bij tussenuitspraak in de gelegenheid is gesteld een motiveringsgebrek te herstellen.
De Raad verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het geen vergoeding van proceskosten en griffierecht oplegt, en bevestigt het vonnis voor het overige. Tevens veroordeelt de Raad de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van €3.415,50 en het griffierecht van €178,00 aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.