ECLI:NL:RVS:2022:3658
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 19 mei 2016 de aanvraag van de vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af en legde een inreisverbod op. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat op 26 augustus 2020 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde hun beroepen ongegrond op 17 mei 2021. De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagde, omdat zij onvoldoende rekening had gehouden met de emotionele banden tussen de vreemdelingen en hun in Nederland verblijvende meerderjarige dochter. De staatssecretaris had geen volledige belangenafweging verricht zoals vereist volgens eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2022:2006).
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van 26 augustus 2020, en droeg de staatssecretaris op binnen twaalf weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van een volledige belangenafweging en het horen van de vreemdelingen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de eerdere besluiten worden vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken nieuwe besluiten nemen met een volledige belangenafweging.