ECLI:NL:RVS:2022:3600
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek tegen zonder vergunning gebouwde aanbouw nabij bouwperceelgrens
Appellant, eigenaar van een perceel te Bavel, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Breda handhavend op te treden tegen een zonder omgevingsvergunning gebouwde aanbouw op het aangrenzende perceel. Het college wees dit verzoek op 30 augustus 2018 af en verklaarde het bezwaar daartegen op 28 mei 2020 ongegrond, mede op basis van Kadastermetingen die de afstand tot de bouwperceelgrens vaststelden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond, omdat er concreet zicht op legalisatie bestond. Dit was gebaseerd op een ondertekende aannemingsovereenkomst waaruit bleek dat een overstek tot tegen de bouwperceelgrens zou worden aangebracht, waardoor de aanbouw vergunningvrij zou zijn.
Appellant voerde aan dat de overstek niet mee mocht tellen bij de afstandsbepaling tot de bouwperceelgrens en dat het college ten onrechte van handhaving afzag. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de overstek als onderdeel van de aanbouw moet worden betrokken bij de afstandsmeting en dat er geen sprake is van een overschrijding van een bouw- of bestemmingsgrens. Hierdoor was sprake van concreet zicht op legalisatie en was het college bevoegd en gerechtvaardigd om af te zien van handhaving.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.