ECLI:NL:RVS:2022:3553

Raad van State

Datum uitspraak
5 december 2022
Publicatiedatum
5 december 2022
Zaaknummer
202106162/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000Art. 6:19 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek machtiging voorlopig verblijf afgewezen na hoger beroep vreemdelingen

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 2 oktober 2020 het verzoek van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het besluit vernietigde, nam de staatssecretaris op 20 januari 2022 een nieuw besluit tot afwijzing van het bezwaar.

De vreemdelingen gingen hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hadden gemaakt dat hun stiefopa in Iran niet voor hen kon zorgen. Het hoger beroep bevatte geen vragen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep ongegrond en verwees het beroep tegen het besluit van 20 januari 2022 terug naar de rechtbank Den Haag voor verdere behandeling. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdelingen is ongegrond verklaard en het beroep is verwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Uitspraak

202106162/1/V2.
Datum uitspraak: 5 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1]. en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 26 augustus 2021 in zaak nr. 21/2185 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 18 maart 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 augustus 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. L.J. Blijdorp, advocaat te Arkel, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 20 januari 2022 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 2 oktober 2020 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
De vreemdelingen hebben daartegen beroepsgronden ingediend.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk, gelet op de stukken waar zij over beschikte, terecht overwogen dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun stiefopa niet in staat is om in Iran voor hen te zorgen.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond.
3.       De staatssecretaris heeft het besluit van 20 januari 2022 genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verwijst het beroep naar de rechtbank om door haar te worden behandeld (artikel 6:19, eerste en vijfde lid, van de Awb). De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep ongegrond;
II.       verwijst het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 20 januari 2022, V-[…] en V-[…], ter behandeling en beslissing naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2022
363-992