ECLI:NL:RVS:2022:3473

Raad van State

Datum uitspraak
30 november 2022
Publicatiedatum
29 november 2022
Zaaknummer
202100061/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vreemdeling krijgt vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging

De vreemdeling, van Syrische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf om bij haar meerderjarige dochter te kunnen verblijven. De staatssecretaris wees dit verzoek af, stellende dat er geen meer dan normale emotionele banden bestonden tussen de vreemdeling en haar dochter, en dat er daarom geen gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro was.

De rechtbank vernietigde het eerdere besluit van de staatssecretaris wegens onvoldoende motivering en stelde vast dat er wel degelijk emotionele banden bestonden. De staatssecretaris stelde het bezwaar opnieuw ongegrond, maar ook dit besluit werd door de rechtbank vernietigd wegens een gebrekkige belangenafweging.

De staatssecretaris ging in hoger beroep, maar dit werd ongegrond verklaard omdat de rechtsvraag reeds eerder was beantwoord. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het besluit van 8 juli 2021 omdat de staatssecretaris weliswaar het bestaan van emotionele banden erkent, maar deze niet heeft betrokken in zijn belangenafweging. De staatssecretaris wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met een volledige belangenafweging en de vreemdeling te horen volgens de Awb.

Uitkomst: Het besluit van 8 juli 2021 wordt vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met een volledige belangenafweging.

Uitspraak

202100061/1/V1.
Datum uitspraak: 30 november 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 december 2020 in zaak nr. 20/2128 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 16 maart 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 13 februari 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 december 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.C. Smit, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 8 juli 2021 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 16 maart 2017 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
De vreemdeling heeft daartegen beroepsgronden ingediend.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
De staatssecretaris heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. De vreemdeling heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
Inleiding
1.       De vreemdeling, met de Syrische nationaliteit, wil verblijf bij haar meerderjarige dochter, referent. De staatssecretaris heeft de aanvraag van de vreemdeling afgewezen, omdat volgens hem geen ‘more than the normal emotional ties’ (hierna: ‘ties’) bestaan tussen haar en referent en er daarom ook geen gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen hen bestaat.
1.1.    De rechtbank heeft in haar eerdere uitspraak van 11 oktober 2018 het beroep van de vreemdeling tegen die afwijzing gegrond verklaard, het eerdere besluit op bezwaar vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt op het bezwaar. De Afdeling heeft in de uitspraak van 8 november 2019 in zaak nr. 201808930/1/V3 het hoger beroep van de staatssecretaris tegen die uitspraak ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. In het besluit van 13 februari 2020 heeft de staatssecretaris het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard, omdat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen haar en referent ‘ties’ bestaan en er daarom geen gezinsleven tussen hen bestaat. De rechtbank heeft het besluit van 13 februari 2020 vernietigd, omdat de staatssecretaris opnieuw niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom tussen de vreemdeling en referent geen beschermenswaardig gezinsleven bestaat. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen de vreemdeling en referent ‘ties’ bestaan.
Hoger beroep
2.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.1.    Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, onder 9.3.1, over de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie hoger beroep
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Beroep tegen het besluit van 8 juli 2021
4.       De Afdeling beoordeelt nu het beroep tegen het besluit van 8 juli 2021 (artikel 6:19, eerste lid, samen met artikel 6:24 van Pro de Awb).
In dat besluit heeft de staatssecretaris zich opnieuw op het standpunt gesteld dat het beroep van de vreemdeling op artikel 8 van Pro het EVRM niet slaagt.
4.1.    De vreemdeling betoogt terecht dat de staatssecretaris zich in het besluit van 8 juli 2021 opnieuw ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat haar beroep op artikel 8 van Pro het EVRM niet slaagt. De staatsecretaris stelt in dit besluit namelijk dat hij uitgaat van het bestaan van ‘ties’, maar hij heeft dit vervolgens niet kenbaar als element meegenomen in zijn belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. In het besluit heeft de staatssecretaris dan ook geen belangenafweging verricht die alle relevante feiten en omstandigheden omvat.
Conclusie beroep
5.       Het beroep is gegrond. Het besluit van 8 juli 2021 wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. De staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen. Daarbij moet de staatssecretaris uitgaan van de feiten en omstandigheden die zich op dat moment voordoen. Gelet hierop moet de staatssecretaris de vreemdeling op de voet van artikel 7:2 van Pro de Awb horen, tenzij zich een uitzondering als genoemd in artikel 7:3, aanhef en onder c, d of e, van de Awb voordoet. Met inachtneming van de daarbij vergaarde feiten en omstandigheden moet de staatssecretaris opnieuw een standpunt innemen over de vraag of tussen betrokkenen meer dan normale emotionele banden bestaan en moet hij de vereiste belangenafweging verrichten. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       verklaart het beroep tegen het besluit van 8 juli 2021, V-[…], gegrond;
III.      vernietigt dat besluit;
IV.     draagt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
V.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep en het van rechtswege ontstane beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.897,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.     bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 541,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Verburg
voorzitter
w.g. Schuurman
griffier
282-977