ECLI:NL:RVS:2022:3455

Raad van State

Datum uitspraak
29 november 2022
Publicatiedatum
25 november 2022
Zaaknummer
202107390/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 91 Vw 2000Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsdocument voor rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 22 april 2020 de aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan af. De vreemdeling maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze beslissing, maar zowel het bezwaar als het beroep werden ongegrond verklaard.

In hoger beroep klaagde de vreemdeling over het oordeel van de rechtbank dat hij zijn identiteit en nationaliteit niet ondubbelzinnig had aangetoond met geldige documenten. De Afdeling bestuursrechtspraak verwijst naar eerdere jurisprudentie omtrent de bewijsmaatstaf en het beoordelingskader voor identiteit en nationaliteit van derdelanders.

Hoewel de vreemdeling zijn identiteit niet aannemelijk maakte met andere middelen dan zijn eigen verklaring, wat onvoldoende is, leidt dit niet tot vernietiging van de uitspraak. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de gronden. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor het verblijfsdocument bevestigd.

Uitspraak

202107390/1/V2.
Datum uitspraak: 25 november 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 3 november 2021 in zaak nr. 20/6362 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 15 juli 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 november 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.K. Bhadai, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vreemdeling klaagt in zijn eerste grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling zijn gestelde identiteit niet ondubbelzinnig heeft aangetoond met een geldig paspoort, een identiteitsbewijs of andere documenten. De Afdeling verwijst naar de uitspraak van 10 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:433, over de bewijsmaatstaf en het beoordelingskader voor de identiteit en nationaliteit van een gestelde derdelander die een beroep doet op het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354.
1.1.    Dit betekent echter niet dat de uitspraak van de rechtbank geen stand kan houden. De vreemdeling heeft zijn identiteit en nationaliteit in dit geval namelijk ook niet met andere middelen aannemelijk gemaakt. Enkel zijn eigen verklaring is hiertoe niet voldoende.
1.2.    Het overige aangevoerde leidt evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
802-1027