ECLI:NL:RVS:2022:322
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- R.J.J.M. Pans
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluiten en vernietiging invorderingsbesluit dwangsom in Groningen
Het college van burgemeester en wethouders van Groningen legde aan de eigenaren van panden op twee percelen in Groningen lasten onder dwangsom op wegens strijdig gebruik als studio, bouwen zonder vergunning en het niet indienen van een sloopmelding. De eigenaren voerden bezwaar en beroep aan tegen deze besluiten, maar zowel het college als de rechtbank verklaarden deze ongegrond. Vervolgens stelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep van de eigenaren eveneens ongegrond.
De Afdeling oordeelde dat het college voldoende had gemotiveerd dat sprake was van overtredingen van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo en artikel 1b, vijfde lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 1.26 van het Bouwbesluit. De eigenaren konden zich niet beroepen op overgangsrecht, en de begunstigingstermijnen waren niet onredelijk kort. Ook waren de lasten onder dwangsom duidelijk geformuleerd en niet onredelijk of dubbel opgelegd.
Ten aanzien van de invordering van dwangsommen vernietigde de Afdeling het besluit voor zover een dwangsom van € 5.000,00 die op 14 januari 2019 was verbeurd werd ingevorderd, omdat de bevoegdheid tot invordering daarvan was verjaard. Voor de overige dwangsommen was de verjaring gestuit en bleef invordering mogelijk. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten voor het beroep tegen de invorderingsbesluiten.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de handhavingsbesluiten wordt ongegrond verklaard en het invorderingsbesluit voor een dwangsom van 14 januari 2019 wordt vernietigd wegens verjaring.