Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2022:3120

Raad van State

Datum uitspraak
1 november 2022
Publicatiedatum
1 november 2022
Zaaknummer
202205158/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 Vw 2000Art. 50a Vw 2000Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtmatigheid bewaring vreemdeling ondanks gebrekkige ophouding

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 2 augustus 2022 in bewaring. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze maatregel, maar de rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De vreemdeling klaagde terecht dat de rechtbank onjuist had geoordeeld dat hij op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 mocht worden opgehouden. Uit het dossier bleek dat zijn identiteit al was vastgesteld vóór de ophouding en dat hij geen rechtmatig verblijf had. De Afdeling oordeelde echter dat de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, had moeten plaatsvinden en dat dit formele gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring.

De Afdeling stelde vast dat de bewaring zelf rechtmatig was omdat een significant risico op onderduiken bestond, mede doordat de vreemdeling met onbekende bestemming was vertrokken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de motivering. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt bevestigd ondanks een formeel gebrek in de ophouding; de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202205158/1/V3.
Datum uitspraak: 1 november 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 23 augustus 2022 in zaak nr. NL22.15030 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 augustus 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 23 augustus 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Wat de vreemdeling in de tweede en derde grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       De vreemdeling klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de vreemdeling op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 heeft mogen ophouden. Uit de stukken volgt namelijk dat al voor aanvang van de ophouding aan de hand van biometrische gegevens onderzoek is verricht naar de identiteit van de vreemdeling. Uit dat onderzoek volgt dat de door de vreemdeling bij zijn op 9 maart 2022 ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verstrekte gegevens over zijn identiteit overeenkomen met de door hem in de strafrechtelijke procedure verstrekte gegevens over zijn identiteit.
Uit de stukken volgt verder dat ook al voor aanvang van de ophouding bekend was dat Ierland op grond van de Dublinverordening had ingestemd met de terugname van de vreemdeling en dat hij na het indienen van zijn aanvraag op 19 maart 2022 met onbekende bestemming was vertrokken, zodat hij geen rechtmatig verblijf meer had (zie de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1164).
Hoewel de klacht terecht is voorgedragen, leidt de grief niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
Anders dan de vreemdeling betoogt, had hij niet op grond van artikel 50a van de Vw 2000, maar op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 moeten worden opgehouden. De identiteit van de vreemdeling was namelijk al vastgesteld en hij bleek geen rechtmatig verblijf te hebben.
De ernst van het gebrek weegt niet op tegen de belangen die met de maatregel van bewaring gediend zijn. De maximale duur van de ophouding op grond van het tweede of het derde lid bedraagt evenveel uren. Verder volgt uit wat onder 1 is overwogen dat de bewaring zelf rechtmatig is. Daaruit volgt dat in rechte vast staat dat een significant risico bestaat op onderduiken. Aan de inbewaringstelling heeft de staatssecretaris onder meer ten grondslag gelegd dat de vreemdeling op 19 maart 2022 met onbekende bestemming is vertrokken. Het gebrek in de ophouding leidt daarom niet tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring.
De grief faalt.
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1498, onder 2.2.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. B. Meijer en
mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Verheij
Voorzitter
w.g. Van De Kolk
griffier
347-102