ECLI:NL:RVS:2022:3053
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 28 november 2018 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Na een ongegrond verklaard bezwaar en een afwijzing door de rechtbank Den Haag, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) niet slaagde, omdat zij onvoldoende rekening had gehouden met de emotionele banden tussen de vreemdeling en zijn in Nederland verblijvende moeder. De staatssecretaris had nagelaten een volledige belangenafweging te maken zoals vereist volgens eerdere jurisprudentie.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit op bezwaar vernietigd. De staatssecretaris is opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij een volledige belangenafweging moet worden verricht en de vreemdeling op de juiste wijze moet worden gehoord. Tevens is de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met een volledige belangenafweging.