ECLI:NL:RVS:2022:3042

Raad van State

Datum uitspraak
20 oktober 2022
Publicatiedatum
20 oktober 2022
Zaaknummer
202205594/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid aanvraag verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 25 augustus 2022 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verkrijgen, niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 15 september 2022 ongegrond verklaarde.

De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep richtte zich onder meer op een rechtsvraag die reeds in eerdere jurisprudentie was beantwoord, namelijk wanneer kan worden aangenomen dat een vreemdeling na terugkeer in een lidstaat over een verblijfsvergunning of andere verblijfsrechtelijke toestemming zal beschikken.

De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe of relevante rechtsvragen bevat die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming dienen te bevorderen. Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van de aanvraag verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.

Uitspraak

202205594/1/V3.
Datum uitspraak: 20 oktober 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 september 2022 in zaak nr. NL22.16703 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 15 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D.P.J. Cain, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2279, onder 3.1, over de vraag wanneer ervan mag worden uitgegaan dat een vreemdeling na terugkeer in een lidstaat over een verblijfsvergunning dan wel een andere toestemming tot verblijf zal beschikken). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
347-1020