ECLI:NL:RVS:2022:2960
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ondeugdelijke belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 5 september 2019 de aanvraag van twee broers van een referent om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De moeder en andere gezinsleden kregen wel een mvv. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat in 2020 en 2021 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit ongegrond en het beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk.
De vreemdelingen stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er geen 'more than the normal emotional ties' bestonden tussen vreemdeling 1 en de moeder en haar gezin, en dat de belangenafweging van de staatssecretaris in strijd was met artikel 8 EVRM Pro. De staatssecretaris had onvoldoende alle relevante feiten en omstandigheden betrokken in de belangenafweging.
De Afdeling vernietigde het besluit van 10 maart 2021 en de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het beroep ongegrond verklaarde. De staatssecretaris wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij een volledige belangenafweging moet worden gemaakt en de vreemdelingen gehoord moeten worden, tenzij een uitzondering van toepassing is. De proceskosten worden aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met een volledige belangenafweging.