ECLI:NL:RVS:2022:2908
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 16 maart 2020 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Tegen dit besluit maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 27 oktober 2020 ongegrond werd verklaard. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 19 augustus 2021 het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde, maar de rechtsgevolgen in stand liet.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State. Deze constateerde dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat er geen meer dan normale emotionele banden bestonden tussen de vreemdeling en haar in Nederland verblijvende broer, en dat de staatssecretaris geen volledige belangenafweging had gemaakt zoals vereist op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De Raad van State vernietigde daarom zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit van 27 oktober 2020. De staatssecretaris werd opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, waarbij een volledige belangenafweging moet worden gemaakt en de vreemdeling op grond van de Awb gehoord moet worden. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd; de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met volledige belangenafweging.