ECLI:NL:RVS:2022:2842
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd na hoger beroep
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke op 8 april 2021 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Hiertegen maakte zij bezwaar dat op 28 januari 2022 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 16 augustus 2022 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. In haar beroepschrift voerde zij onder meer aan dat het besluit het effectieve genot van rechten van haar echtgenoot als Unieburger zou belemmeren, in strijd met artikel 20 VWEU Pro.
De Raad van State oordeelde dat slechts in uitzonderlijke gevallen een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro ontstaat, en dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de echtgenoot niet zodanig afhankelijk is van de vreemdeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.