ECLI:NL:RVS:2022:2585

Raad van State

Datum uitspraak
7 september 2022
Publicatiedatum
6 september 2022
Zaaknummer
202203504/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 50, derde lid, Vw 2000Art. 91, tweede lid, Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake terugkeer, inreisverbod en bewaring vreemdeling

Bij besluiten van 11 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd en hem in vreemdelingenbewaring gesteld.

De vreemdeling stelde beroep in tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde deze beroepen ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat het proces-verbaal van ophouding niet expliciet het eindtijdstip van de ophouding hoeft te vermelden om de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming te toetsen. Uit de stukken blijkt dat de ophouding niet langer dan de maximale wettelijke duur van zes uur heeft geduurd. Het hoger beroep bevat geen verdere gronden die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202203504/1/V3.
Datum uitspraak: 7 september 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 3 juni 2022 in zaken nrs. NL22.8717 en NL22.8760 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 11 mei 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd en hem in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 3 juni 2022 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vreemdeling betoogt in de tweede grief dat het tijdstip waarop de ophouding is geëindigd uit een proces-verbaal moet blijken. Maar zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2022:2565 (onder 2), is dat niet steeds nodig voor de toetsing of er een geldige titel was voor vrijheidsontneming. In dit geval staat in het proces-verbaal van ophouding niet wanneer de ophouding is geëindigd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit dat proces-verbaal, het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de bewaring en de maatregel van bewaring in samenhang gelezen voldoende duidelijk blijkt dat de ophouding in ieder geval niet langer dan de in artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 vermelde maximale duur van zes uur kan hebben geduurd. Volgens die stukken is de vreemdeling namelijk op 11 mei 2022 om 10:40 uur opgehouden, vervolgens om 12:17 uur gehoord (over het opleggen van een terugkeerbesluit, inreisverbod en maatregel van bewaring) en om 13:50 uur in bewaring gesteld. Dat is een tijdsbestek van iets meer dan 3 uur. De grief faalt.
2.       Het hoger beroep leidt ook voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift voor het overige geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Steendijk
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
18-959