ECLI:NL:RVS:2022:2505
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- B. Meijer
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris op 5 november 2020 werd afgewezen. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat op 27 oktober 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde deze afwijzing in een uitspraak van 22 maart 2022.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er geen meer dan normale emotionele banden bestonden tussen haar en haar in Nederland verblijvende meerderjarige kinderen en kleinkinderen, zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de staatssecretaris bij een beroep op artikel 8 EVRM Pro een volledige belangenafweging moet maken, wat in deze zaak niet was gebeurd.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 27 oktober 2021, en beval de staatssecretaris binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van een volledige belangenafweging en de mogelijkheid tot hoorzitting volgens de Awb. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.277,00.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit wordt vernietigd, met opdracht tot een nieuw besluit met volledige belangenafweging.