ECLI:NL:RVS:2022:2434

Raad van State

Datum uitspraak
24 augustus 2022
Publicatiedatum
24 augustus 2022
Zaaknummer
202204586/3/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 7 maart 2022 het verzoek van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af en droeg hem op de Europese Unie onmiddellijk te verlaten. Tevens werd het verzoek om heroverweging van een eerder besluit van 19 juli 2021 afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit voor zover het verzoek om heroverweging werd afgewezen, waarna de staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Tegen deze uitspraak zijn zowel de vreemdeling als de staatssecretaris in hoger beroep gegaan. De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zodat hij niet uitgezet zou worden voordat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter achtte dit verzoek gegrond en bepaalde dat de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat het hoger beroep is afgerond.

Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter C.M. Wissels op 24 augustus 2022.

Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

202204586/3/V2.
Datum uitspraak: 24 augustus 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­-Hertogenbosch, van 28 juli 2022 in zaak nr. NL22.4186 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, en hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten. Ook heeft hij het verzoek van de vreemdeling om heroverweging van het besluit van 19 juli 2021, waarbij de vreemdeling eerder is opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, afgewezen.
Bij uitspraak van 28 juli 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd voor zover daarbij het verzoek om heroverweging is afgewezen, en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Wissels
voorzieningenrechter
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2022
936