ECLI:NL:RVS:2022:2347
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inreisverbod en onmiddellijke vertrekopdracht vreemdeling uit EU
Bij besluit van 14 juni 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 5 juli 2022 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift bevatte geen nieuwe vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, zodat het hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leidt.
De Raad van State bevestigt dat de staatssecretaris op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, in samenhang met artikel 6.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000, een vertrektermijn kan onthouden indien er een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan toezicht onttrekt. Dit besluit behoeft in beginsel geen nadere motivering, zeker niet als de vreemdeling geen feiten of omstandigheden aanvoert die een vertrektermijn rechtvaardigen.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.