ECLI:NL:RVS:2022:2281
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf vreemdelingen
Bij besluit van 12 augustus 2020 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank, die het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming en dat de rechtsvraag reeds eerder door de Afdeling was beantwoord.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdelingen en werd een griffierecht opgelegd.
De uitspraak benadrukt de consistentie in de toepassing van het jongvolwassenenbeleid en bevestigt dat de staatssecretaris correct heeft gehandeld in de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bevestigd.