ECLI:NL:RVS:2022:2062
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom wegens illegaal afmeren woonboot en plaatsen steiger op rijkswater
Appellant exploiteert een waterbouwbedrijf met een perceel aan de rivier de Maas, waarop onder meer een woonboot, steiger, loopbrug en gastank aanwezig waren. De minister legde op 11 maart 2020 een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 6.5 van de Waterwet in samenhang met artikel 6.12 van het Waterbesluit, omdat deze objecten zonder watervergunning in het stroomvoerende deel van het rijkswater lagen.
Appellant voerde aan dat het afmeren van de woonboot zonder vergunning was toegestaan en dat er concreet zicht op legalisatie bestond, mede omdat het bedrijf riviergebonden zou zijn. De rechtbank en de Afdeling oordeelden dat de insteekhaven tot het stroomvoerende deel van de Maas behoort en dat zonder vergunning afmeren verboden is. Bovendien ontbrak concreet zicht op legalisatie omdat appellant pas na het besluit op bezwaar een vergunningaanvraag indiende, die werd geweigerd.
Verder stelde appellant dat handhaving onevenredig was vanwege het belang bij toezicht en wonen, en dat de minister de handhavingsbevoegdheid misbruikte om de onteigeningsprocedure te vergemakkelijken. De Afdeling verwierp deze betogen en benadrukte het algemeen belang bij handhaving, de ernst van de overtreding en het feit dat appellant ruim de tijd had gekregen om de objecten te verwijderen. De onteigeningsprocedure rechtvaardigde geen ander oordeel.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee de last onder dwangsom gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom wordt bevestigd.