ECLI:NL:RVS:2022:2051
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onrechtmatige bewaring van Nederlandse nationaliteit vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde een vreemdeling op 12 februari 2021 in bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling had aanvankelijk verklaard Iraanse nationaliteit te hebben, maar stelde later de Nederlandse nationaliteit te bezitten. Na onderzoek bleek dit inderdaad het geval te zijn, waarna de bewaring werd opgeheven.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig was omdat de vreemdeling de Nederlandse nationaliteit had. De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtmatigheid van de bewaring moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten die op het moment van inbewaringstelling bekend waren, waaronder het ontbreken van bewijs van Nederlandse nationaliteit en aanwijzingen dat de Dublinverordening van toepassing was.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de staatssecretaris op het moment van inbewaringstelling terecht aannam dat de vreemdeling een vreemdeling was en dat er concrete aanwijzingen waren voor een niet-rechtmatig verblijf. De bewaring was daarom vanaf dat moment rechtmatig. De onrechtmatigheid ontstond pas op 17 februari 2021, toen de Nederlandse nationaliteit was vastgesteld en de bewaring werd opgeheven.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond en kende een schadevergoeding toe voor de periode dat de bewaring onrechtmatig was, zijnde één dag. Tevens werden proceskosten aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: De bewaring was rechtmatig tot 16 februari 2021; vanaf 17 februari 2021 was de bewaring onrechtmatig en werd een schadevergoeding toegekend.