ECLI:NL:RVS:2022:2035
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet-vergoeden proceskosten in zaak bewaring vreemdeling
De staatssecretaris stelde de vreemdeling op 24 mei 2022 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak constateerde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vreemdeling niet langer dan zes uur was opgehouden, terwijl de maatregel pas om 18:46 uur rechtsgeldig werd uitgereikt, terwijl de vrijheidsontneming al om 18:30 uur begon. Dit gebrek was echter niet onrechtmatig, omdat de overschrijding beperkt was en het gehoor binnen de termijn had plaatsgevonden. De belangen van de bewaring stonden in redelijke verhouding tot het gebrek.
Wel oordeelde de Afdeling dat de rechtbank de staatssecretaris ten onrechte niet had veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt in verband met de behandeling van het beroep. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het proceskosten betreft, en bevestigd voor het overige.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van €1.518,00 aan proceskosten, toe te rekenen aan professionele rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 18 juli 2022.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het proceskosten betreft en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van €1.518,00 aan proceskosten.