ECLI:NL:RVS:2022:2018

Raad van State

Datum uitspraak
20 juli 2022
Publicatiedatum
14 juli 2022
Zaaknummer
202102948/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel door staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, die op 8 april 2021 een aanvraag van een Eritrese vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had goedgekeurd. De staatssecretaris had deze aanvraag eerder op 22 juli 2020 afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de uitspraak. De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze beslissing. Tijdens de zitting op 7 maart 2022, waar zowel de staatssecretaris als de vreemdeling vertegenwoordigd waren door hun advocaten, werd de zaak behandeld. De vreemdeling, die op éénjarige leeftijd naar Saoedi-Arabië was verhuisd en daar 28 jaar illegaal verbleef, heeft nooit in Eritrea gewoond. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2022:2017) vastgesteld dat Eritrese vreemdelingen die de nationale dienstplicht moeten vervullen, een reëel risico lopen op ernstige schade, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De vreemdeling, die 33 jaar oud is, valt onder de actieve dienstplicht in Eritrea en heeft geen opleiding genoten of connecties in Eritrea. De staatssecretaris stelde dat de vreemdeling bij terugkeer naar Eritrea de nationale dienstplicht zal moeten vervullen. De Afdeling oordeelde dat de vreemdeling een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard, en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitspraak

202102948/1/V2.
Datum uitspraak: 20 juli 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 april 2021 in zaak nr. NL20.15517 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 22 juli 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 8 april 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de staatssecretaris zich nader uitgelaten.
De vreemdeling heeft daarop gereageerd.
De vreemdeling en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 202101479/1/V2 (ECLI:NL:RVS:2022:2017) ter zitting behandeld op 7 maart 2022, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen en mr. M.M. Favier, beiden advocaat te Den Haag, en de vreemdeling, bijgestaan door mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       De vreemdeling heeft de Eritrese nationaliteit. Hij is op éénjarige leeftijd met zijn moeder naar Saoedi-Arabië gegaan en heeft daar gedurende 28 jaar illegaal verbleven tot aan zijn vertrek naar Nederland. De vreemdeling heeft nooit in het huidige Eritrea verbleven.
2.       De Afdeling heeft bij uitspraak van vandaag (ECLI:NL:RVS:2022:2017) uitspraak gedaan over de vraag of de vervulling van de nationale dienstplicht in Eritrea een reëel risico oplevert op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Uit die uitspraak volgt dat Eritrese vreemdelingen die de nationale dienstplicht in de militaire component moeten vervullen, een reëel risico lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Uit die uitspraak volgt ook (zie onder 10 en 13.2) dat Eritrese mannen die nauwelijks een opleiding hebben genoten en niet over een netwerk met goede connecties in Eritrea beschikken, een vergrote kans lopen om in de militaire component van de nationale dienstplicht terecht te komen.
3.       De vreemdeling is 33 jaar en valt onder de uitgebreide leeftijdscategorie voor actieve dienstplicht in Eritrea. De staatssecretaris heeft in zijn nader stuk gesteld dat hij ervan uitgaat dat de vreemdeling bij terugkeer naar Eritrea op enig moment de nationale dienstplicht zal moeten vervullen en hij zich daar niet aan kan onttrekken. De vreemdeling heeft onbetwist gesteld dat hij onopgeleid is. Omdat de vreemdeling nooit in Eritrea heeft gewoond, is het ook aannemelijk dat hij niet beschikt over een netwerk met goede connecties dat hem zou kunnen helpen in de civiele component van de nationale dienstplicht terecht te komen. De vreemdeling heeft dan ook een vergrote kans om in de militaire component terecht te komen. Gelet op de uitspraak van vandaag, heeft de rechtbank dan ook terecht overwogen dat de vreemdeling in Eritrea een reëel risico loopt op een behandeling als verboden door artikel 3 van het EVRM. De tweede grief faalt.
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De eerste grief behoeft geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.897,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2022
307-984