ECLI:NL:RVS:2022:1949
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en weigering wijziging verblijfsdoel
De vreemdeling had sinds 2014 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid bij de partner. Na beëindiging van de relatie vroeg zij wijziging van het verblijfsdoel aan op humanitaire gronden. De staatssecretaris trok de vergunning met terugwerkende kracht in en weigerde de wijziging.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het krijgen van twee kinderen met een andere man twijfel oproept over de duurzaamheid en exclusiviteit van de relatie met de partner. Hierdoor rust de bewijslast op de vreemdeling om aannemelijk te maken dat de relatie nog bestond. De vreemdeling slaagde hier niet in, mede omdat zij slechts beperkte verklaringen gaf en de relatie kort na de geboorte van het tweede kind werd verbroken.
De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank voor zover het de intrekking van de verblijfsvergunning en de weigering van de wijziging van het verblijfsdoel betrof en verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond. Het beroep werd in zoverre ongegrond verklaard. Over het verstrekken van het document op grond van artikel 9 Vw Pro 2000 moet de staatssecretaris een nieuw besluit nemen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het de intrekking van de verblijfsvergunning en weigering van wijziging betreft.