ECLI:NL:RVS:2022:1867

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2022
Publicatiedatum
1 juli 2022
Zaaknummer
202005625/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 24 april 2019 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken en een inreisverbod uitgevaardigd. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 6 februari 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde hij beroep in bij de rechtbank, welke op 25 september 2020 het beroep ongegrond verklaarde.

De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tegelijkertijd de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet uitgezet zou worden voordat op het hoger beroep was beslist. De voorzieningenrechter overwoog dat op basis van de aangevoerde argumenten niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd.

Gezien de belangen van zowel de staatssecretaris als de vreemdeling werd geen voorlopige voorziening getroffen. Het verzoek werd afgewezen en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 1 juli 2022 door voorzieningenrechter J.Th. Drop.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod is afgewezen.

Uitspraak

202005625/2/V3.
Datum uitspraak: 1 juli 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 25 september 2020 in zaak nr. 20/1763 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2019 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij besluit van 6 februari 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2022
47-922