ECLI:NL:RVS:2022:1609
Raad van State
- Hoger beroep
- P.H.A. Knol
- J.M.L. Niederer
- J.M. Willems
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens niet verstrekken loonbescheiden transportbedrijf
Bij besluit van 13 februari 2018 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boete van €149.000,- op aan een transportbedrijf wegens overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Dit volgde op een onderzoek waarbij werd vastgesteld dat negentien werknemers arbeid hadden verricht zonder dat loon en vakantiebijslag waren betaald. Het bedrijf voldeed niet aan de vordering tot het verstrekken van loonbescheiden.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van het bedrijf ongegrond en bevestigde de boete. Het bedrijf stelde in hoger beroep dat het niet als werkgever kon worden aangemerkt, dat de vordering onduidelijk was en dat de boete niet op maat was vastgesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het vermoeden van werkgeverschap terecht was gebaseerd op rittenstaten, verklaringen van dienstbetrekking en telefoonfacturen, en dat het bedrijf onvoldoende tegenbewijs had geleverd.
Verder oordeelde de Afdeling dat de vordering van de Inspectie SZW niet was vervallen door een brief van de ILT en dat het bedrijf terecht de boete had gekregen. De minister had de boete conform beleid vastgesteld en voldoende maatwerk toegepast. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De boete van €149.000,- wegens het niet tijdig verstrekken van loon- en urenbescheiden wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.