Uitspraak
Datum uitspraak: 28 juli 2021
Raad van State
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan [appellant], exploitant van een restaurant, een bestuurlijke boete van €6.000,- op wegens overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) en gaf een waarschuwing voor preventieve stillegging van werkzaamheden. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van [appellant] ongegrond.
In hoger beroep stelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vast dat de boete voor het niet uitbetalen van loon aan [werknemer 4] in januari 2018 niet terecht was, omdat op grond van artikel 7:627 BW Pro (oud) mogelijk geen loonverplichting bestond vanwege vakantie zonder opgebouwde vakantiedagen. De boete en waarschuwing voor overtreding van artikel 7 Wml Pro werden daarom vernietigd. De boetes voor het niet giraal uitbetalen van loon aan twee werknemers en het niet overleggen van bescheiden bleven in stand.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht uitging van de verklaringen in het boeterapport en dat [appellant] onvoldoende tegenbewijs leverde dat [werknemer 1] geen werknemer was. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van [appellant] gegrond verklaard.
Uitkomst: Boete en waarschuwing voor overtreding artikel 7 Wml vernietigd, overige boetes gehandhaafd en proceskostenvergoeding toegekend.