ECLI:NL:RVS:2022:1052
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak en toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure
De vreemdeling had bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek ingediend om op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft. Dit verzoek werd bij besluit van 29 maart 2016 afgewezen en het bezwaar daartegen werd op 17 juni 2019 eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 1 april 2020 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar aanzienlijk had overschreden, mede doordat de rechtbank tweemaal het besluit op bezwaar had vernietigd, wat leidde tot herhaalde besluitvorming. De behandeling van het beroep en hoger beroep vond binnen de redelijke termijn plaats. De overschrijding wordt volledig toegerekend aan de staatssecretaris.
Op grond hiervan werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 17 juni 2019 vernietigd, en werd de staatssecretaris verplicht een nieuw besluit te nemen. Tevens werd een schadevergoeding van € 3.000,- toegekend aan de vreemdeling wegens immateriële schade door de overschrijding, alsmede vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak worden vernietigd, en de staatssecretaris moet een schadevergoeding van € 3.000,- betalen.