ECLI:NL:RVS:2021:961
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit CBR over alcoholonderzoek na vrijspraak bestuurder
Appellant werd door het CBR verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn alcoholgebruik op basis van een proces-verbaal van de politie dat hem als bestuurder aanwees bij rijden onder invloed op 1 juli 2018. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening. In een strafzaak werd appellant vrijgesproken omdat de politierechter twijfelde of appellant daadwerkelijk de bestuurder was.
Appellant stelde dat het CBR het besluit moest herzien op grond van deze vrijspraak en aanvullend bewijs dat de identiteit van de bestuurder niet vaststond. Het CBR weigerde dit, stellende dat de bestuursrechtelijke beoordeling losstaat van de strafrechtelijke en dat de vrijspraak niet inhoudelijk het proces-verbaal onderuit haalde.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het overgelegde aanvullende bewijs en de vrijspraak nieuwe feiten en omstandigheden vormen die heroverweging van het CBR-besluit rechtvaardigen. De Afdeling vernietigde het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het CBR een nieuw besluit moet nemen, waarbij het oordeel van de politierechter meegewogen moet worden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het CBR wordt vernietigd, waarna het CBR een nieuw besluit moet nemen rekening houdend met de nieuwe feiten.