ECLI:NL:RVS:2021:957
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag Nederlands paspoort voor minderjarige zoon
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken om de aanvraag voor een Nederlands paspoort voor haar minderjarige zoon niet in behandeling te nemen. Zij beroept zich op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, verwijzend naar het feit dat haar oudste zoon wel een Nederlands paspoort heeft ontvangen.
De rechtbank Den Haag heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, waarna appellante hoger beroep heeft ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, aangezien geen van de partijen gebruik wilde maken van het recht om gehoord te worden.
De Afdeling oordeelt dat de minister zich deugdelijk heeft gemotiveerd en dat appellante geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die de eerdere weerlegging onjuist maken. Het beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.