ECLI:NL:RVS:2021:843
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende bewijs huiselijk geweld
Appellant heeft een aanvraag ingediend bij de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) voor een uitkering op grond van stelselmatig huiselijk geweld rond 2004. De aanvraag werd afgewezen omdat appellant geen objectieve bewijsstukken overlegde, ondanks verzoeken daartoe. De CSG kon ook geen aangifte terugvinden in de systemen van politie en Openbaar Ministerie.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de CSG terecht de aanvraag had afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het geweldsmisdrijf. Appellant stelde in hoger beroep dat de CSG onvoldoende inspanningen had verricht om informatie te achterhalen en dat de aangifte nog ergens geregistreerd moest zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het aan appellant is om met objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat sprake is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De enkele verklaring van appellant en de niet-gevonden aangifte zijn onvoldoende. De CSG heeft voldoende inspanning geleverd om aanvullende informatie te verkrijgen. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectief bewijs.