ECLI:NL:RVS:2019:1538
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitkering schadefonds geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven naar aanleiding van een mishandeling door haar ex-partner in 2011, waarbij zij ernstig letsel opliep. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag af wegens het ontbreken van voldoende objectieve informatie over de toedracht en omstandigheden van het geweldsmisdrijf. Ook het bezwaar en het beroep bij de rechtbank werden ongegrond verklaard.
In hoger beroep betoogde appellante dat er wel voldoende bewijs is, waaronder meldingen bij de politie, medische gegevens en een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het aan de aanvrager is om met objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat sprake is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Appellante had geen aangifte gedaan, geen strafrechtelijk onderzoek was verricht en zij leverde geen verifieerbare informatie over de meldingen bij de politie.
De medische informatie toonde wel het letsel, maar gaf onvoldoende inzicht in de toedracht en omstandigheden van het geweldsmisdrijf. Ook andere ingebrachte stukken boden onvoldoende objectieve aanwijzingen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag uit het schadefonds wordt bevestigd.