ECLI:NL:RVS:2021:570
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende medische gronden
Appellante, woonachtig in Amsterdam met een paniekstoornis en straatangst, vroeg in mei 2018 een urgentieverklaring aan vanwege haar medische situatie en de noodzaak van verzorging door haar ouders. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag in oktober 2018 af, mede op basis van een medisch advies van de GGD-arts die onvoldoende medische gronden zag voor urgente verhuizing.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zij stelde onder meer dat haar inzage- en blokkeringsrecht was geschonden en dat het college onvoldoende rekening had gehouden met de belangen van haar kinderen.
De Afdeling oordeelde dat het college het inzage- en blokkeringsrecht niet had nageleefd, maar dat appellante hierdoor niet was benadeeld omdat zij het advies later alsnog ontving en kon aanvechten. Het medisch advies was op objectieve en inzichtelijke wijze opgesteld en het college mocht hieruit afleiden dat geen sprake was van een levensontwrichtende situatie die urgentie rechtvaardigt.
De belangen van de kinderen waren niet als aparte bezwaargrond aangevoerd en het college was niet vooringenomen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een proceskostenvergoeding aan appellante.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring wegens onvoldoende medische gronden.