Uitspraak
Datum uitspraak: 3 maart 2021
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
In juli 2018 deed appellant via de website van de gemeente Rotterdam een melding van een derde afzuiginstallatie op het dak achter zijn appartement, die hij kwalificeerde als een verzoek om handhaving. Na het uitblijven van een reactie stelde appellant het college in gebreke en startte een beroepsprocedure wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de melding geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb was en verklaarde zich onbevoegd. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde anders en kwalificeerde de melding wel als een handhavingsverzoek en daarmee als een aanvraag om een besluit te nemen.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en stelde de door het college verbeurde dwangsom vast op €1.442,00 wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De Afdeling zag geen aanleiding om het college alsnog te verplichten een besluit te nemen, omdat de afzuiginstallatie inmiddels was gelegaliseerd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de dwangsom vastgesteld op €1.442,00 wegens het niet tijdig nemen van een besluit.