ECLI:NL:RVS:2021:4
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf bij gezinshereniging
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 13 juli 2018 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af voor een vreemdeling in het kader van gezinshereniging tussen een ouder en zijn meerderjarige kind in Nederland. Na een bezwaarprocedure handhaafde de staatssecretaris het besluit op 8 oktober 2019. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarbij zij de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State. In het hoger beroep stelde de staatssecretaris dat bij gezinshereniging het economische belang van Nederland meegewogen moet worden in de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro. De Raad van State oordeelde echter dat de staatssecretaris onvoldoende alle relevante gegevens en belangen van het individuele geval had meegewogen, zoals ook door de rechtbank was vastgesteld.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, bestaande uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vernietiging van de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf en veroordeelt de staatssecretaris tot proceskostenvergoeding.