ECLI:NL:RVS:2021:3028
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitspraak rechtbank inzake machtiging tot voorlopig verblijf
Bij besluit van 16 oktober 2019 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar tegen dit besluit op 16 april 2020 ongegrond. De rechtbank gaf de staatssecretaris op 29 maart 2021 de gelegenheid om een gebrek in het besluit te herstellen. Op 16 november 2021 verklaarde de rechtbank het beroep van de vreemdelingen gegrond, vernietigde het bezwaarbesluit, herroept het oorspronkelijke besluit en beval de staatssecretaris een verblijfsvergunning te verlenen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. De vreemdelingen gaven een schriftelijke reactie op dit verzoek.
De voorzieningenrechter overwoog de belangen van beide partijen en besloot de voorlopige voorziening toe te wijzen. Hierdoor hoeft de staatssecretaris de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.