ECLI:NL:RVS:2021:2864
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens motiveringsgebrek
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 23 april 2019 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep klaagde de vreemdeling met name over de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn bekering tot het christendom. De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak waarin werd vastgesteld dat het besluit een motiveringsgebrek bevatte, omdat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met de verklaringen van derden en een rapport van Stichting Gave.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en beveelt een nieuw besluit waarbij een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet worden gemaakt. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de totale procedure binnen de redelijke termijn van vier jaar is afgerond.
De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, toe te rekenen aan de beroepsmatige rechtsbijstand. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beoordeling.